De hoeksteen van het Belgische recht ter zake is de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, aangevuld met de Codex over het welzijn op het werk. Ze verplicht elke werkgever om een echt preventiebeleid te voeren, geïntegreerd in het volledige beheer van de onderneming.
Een beleid gesteund op algemene beginselen
Volgens de FOD Werkgelegenheid moet de werkgever zijn welzijnsbeleid bouwen op algemene preventiebeginselen: risico's voorkomen, ze evalueren, ze bij de bron bestrijden, het werk aan de mens aanpassen, vervangen wat gevaarlijk is, collectieve bescherming laten voorgaan op individuele bescherming, en de werknemers informeren en opleiden.
De zeven welzijnsdomeinen
Het begrip welzijn omvat zeven domeinen: de arbeidsveiligheid, de bescherming van de gezondheid, de psychosociale aspecten (stress, geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag), de ergonomie, de arbeidshygiëne, de verfraaiing van de werkplaatsen en de milieumaatregelen voor zover ze de andere domeinen beïnvloeden.
Risico's analyseren en beheren
De algemene verplichting van de werkgever krijgt de vorm van een dynamisch risicobeheersingssysteem, dat in vier fasen verloopt: uitwerking, programmatie, uitvoering en evaluatie. Het steunt op een risicoanalyse op drie niveaus (de organisatie in haar geheel, elke groep van functies of werkposten, en het individu) en in drie fasen (gevaren identificeren, risico's bepalen, ze evalueren). De preventiemaatregelen zijn gerangschikt: eerst risico's voorkomen, dan schade voorkomen, ten slotte schade beperken.
Verplichte structuren
Elke werkgever moet beschikken over een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, waarin altijd een preventieadviseur aanwezig moet zijn. Wanneer de interne dienst niet alle opdrachten kan vervullen, doet de werkgever een beroep op een externe dienst, met name voor het gezondheidstoezicht. De werkgever blijft eindverantwoordelijk voor het welzijnsbeleid, ook wanneer hij een beroep doet op een externe dienst of externe deskundigen.
Het overleg verloopt binnen het comité voor preventie en bescherming op het werk. In ondernemingen met meer dan 50 werknemers zonder comité worden de opdrachten uitgeoefend door de vakbondsafvaardiging; bij ontstentenis worden de werknemers rechtstreeks geraadpleegd. De precieze modaliteiten variëren naargelang de grootte van de onderneming en de sector; de FOD Werkgelegenheid en de Codex over het welzijn op het werk blijven de te raadplegen referenties.